Kort verhaal: Kat
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on March 25, 2009
Statig had de kat zich neegezet op de onderste trede voor de deur. Keurend keek het dier de naderende bezoeker aan. Hein had altijd een vreemd soort respect gevoeld voor de kat. Op gepaste afstand bleef hij staan wachten totdat het dier hem goedkeurend zou toeknikken. Dit ritueel herhaalde zich elke keer als hij hier was. Altijd zat de kat daar, wachtend, wakend over zijn bazin. Ook dit keer verleende de kat hem weer toestemming om binnen te gaan, maar hij bleef niet zoals anders wachten totdat Rineke open zou doen om dan met hoog geheven staart voor hem uit naar binnen te lopen. De kat liep langs hem zonder hem verder een blik waardig te keuren en een beetje verbaasd keek Hein hem na. ‘Vreemd’, dacht hij bij zichzelf. Schouderophalend belde hij aan. Toen Rineke even later de deur opende en hem liefdevol omhelsde, zag hij het zwarte dier in een flits naar binnen schieten. Een beetje ongemakkelijk stapte hij met Rineke naar binnen en wrong zich uit zijn jas. ‘Rustig blijven… Niks aan de hand…’
Genietend van het gevoel van Rinekes warme huid tegen zijn borst opende hij zijn ogen. Hij verstijfde toen hij de kat zag zitten, nog geen halve meter van zijn gezicht vandaan. Bewegingloos staarde het dier hem aan, zijn blik vast op zijn ogen gericht. Geschrokken drukte hij Rineke wat steviger tegen zich aan. Ze kreunde zachtjes.’Hein…’ Hoe langer hij terugstaarde hoe angstiger hij zich begon te voelen. De pikzwarte ogen van de kat staken op een vreemde manier af van ze inktzwarte vacht. Zwarter dan zwart waren die ogen. Haast onmogelijk was het om weg te kijken. Hoe langer deze staarwedstrijd duurde hoe ongemakkelijker hij zich voelde, de ogen hielden hem gevangen, de beschuldiging als een mes in zijn borst stekend. Hein slikte moeizaam, zijn keel voelde dik aan. Hij moest weg hier… ‘Rineke, het is tijd, mijn vrouw komt zo thuis…’ fluisterde hij in haar oor. Hij ging overeind zitten en begon zijn kleren bij elkaar te zoeken, maar nog steeds voelde hij de blik van de kat in zijn rug priemen.Bij de voordeur gaf hij haar nog een kus, maar de woede in de ogen van het zwarte dier beangstigde hem zo dat hij zich snel omdraaide en met gehaaste pas op weg ging. Vlak voordat hij de hoek om ging draaide hij zich nog een keer om. De kat zat weer op de onderste trede, als uit steen gehouwen. Hij zette een stap in zijn richting en meteen keek de kat hem aan met een felheid waarvan hij terugdeinsde. Nee, hij zou hier niet meer terugkomen. Hij had Rineke nooit moeten bedriegen…
Met bloemen zeg je meer
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on January 24, 2009
Met een lege blik in haar ogen keek ze over haar schouder naar achteren, naar het doffe rode fluweel van de blaadjes. Ze had haar armen om haar borst geslagen, schouders een beetje opgetrokken. Wat was er toch met haar? Ooit had het zo veel voor haar betekend, was ze helemaal warm geworden van binnen bij de aanblik van die liefdesverklaring. Nu deed het haar niets meer, sterker nog, de rozen leken wel en bewijs van wat niet meer was. Het was over, de relatie was afgestorven, en alles wat nu nog restte waren deze dode planten. Ze pakte de bloemen op, oppassend dat er geen doornen in haar hand terecht kwamen en ze liep er mee naar de keuken. Ze opende de groene bak en keek verwonderd hoe de bos sidderde toen deze op het afval terecht kwam. Ze liet de deksel open staan en liep met snelle passen de warmte van de woonkamer weer in om haar camera te pakken. Zachtjes voor zich uit mompelend richtte ze de camera en op een vreemde manier zag ze eruit als een roofdier, klaar om haar prooi te bespringen, al zou bespringen misschien niet het juiste woord zijn, omdat wat ze wilde vangen fietelijk niet bestond, ze wilde de afgedankte rozen helemaal niet, ze wilde alleen het beeld van een geknakte liefde… Het leek wel of ze haar overpenzingen van een minuut geleden helemaal vergeten was, er glansde iets in haar ogen nu, de glans van inspiratie.
Ine liep een beetje zenuwachtig door de zaal. Het mocht was zeker niet haar eerste expositie, maar ze voelde dat dit iets te weeg kon brengen. Haar werk was anders dan voorheen, het had nu iets eigens, iets bijzonders wat voorheen niet te vinden was geweest in haar foto’s. Plotseling waren daar de eerste gasten, nieuwsgierig de wanden aftastend met hun ogen, ‘vol verwachting klopt hun hart’ dacht ze. Toen merkte ze dat ze weer voor haar eerste foto stond, de rozen in de groene bak. Ze mocht hem eigenlijk wel dankbaar zijn, voor die laatste volledig misplaatste liefdesverklaring…
Het besef
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on
Martje glimlachte naar de blauwe lucht, de wolken flitsten in een waas aan haar heen en weer schietende ogen voorbij. Nog iets overtuigender glimlachte ze. Ze had er altijd van gehouden naar de wolken te kijken, er vormen in te ontdekken, maar vandaag zag ze niets. Zelfs merkte ze het verschil niet op, ze was te druk bezig niets te denken, haar hoofd was gevuld met heerlijke gedachteloze paniek. Martje was iemand die echt kon genieten van buiten zijn, rustig wandelen. Maar vandaag waren haar stappen snel, een beetje wankel. Nog naar de lucht klijkend knerpten haar voeten steeds sneller over het grindpad dat door het park liep, haar glimlach was veranderd in een grijns. Ze hoorde niets van de takjes die onder haar voeten knapten, ze zag niets buiten de lucht, en eigenlijk ook de lucht niet. Ook niet de jongen die innig verstrengeld met haar beste vriendin op het bankje zat waar ze langs liep. De jongen waar ze jaren mee samen was geweest. De joingen die ze met heel har hart had liefgehad. Zonder dat ze ook maar een moment aandacht had geschonken aan wat haar zo’n pijn had kunnen doen, hadden de bosjes het tafreeltje al weer opgeslokt. Het besef wat al maanden in haar hoofd had liggen rusten, wat ze niet had wilen beroeren, vocht om vrij te komen. Het bokte tegen de binnenkant van haar hoofd, schopte de verwarde draden van haar denken kapot, liet geen ruimte voor iets buiten zichzelf. Zonder dat ze het merkte was ze stil komen te staan, een hand omklemde een tralie van het hek dat aangaf dat het park hier ophield. Haast wezenloos staarde ze naar de auto’s die voorbij reden, haar negerend, de sleur van alledag volgend. Ze ontspande zich een beetje en de voorbijgangers die haar argwanend hadden gadegeslagen richtten hun blikken weer van haar weg en vervolgden hun pad. Haar blik was nog steeds gericht op een punt in de verte, haar ogen gingen nu ver open, terwijl de laatste worsteling met Het Besef bijna over was. Het moment dat ze stopte, het opgaf, accepteerde, loste de paniek en warboel in haar hoofd op. Iets in haar leek te verschuiven, alsof ze nu pas geheel in haar lichaam terecht kwam, alsof ze er al die tijd, als een slecht op zijn plaats geschopven puzzelstukje net buiten had geleefd. Haar hoofd was weer vrij, maar nog steeds dacht ze niets. De stem die normaal gesproken alle stilte verdreef zweeg. Voorzichtig bewoog ze haar lippen en haar long, de lucht proevend, het woord proevend. Zacht fluisterend zette ze in, nauwelijks hoorbaar: ‘vrij…’ ‘ik ben vrij’ dacht ze. ‘Ik ben. Ik ben vrij. Altijd geweest.’ en ‘Dit is de eerste dag van de rest van mijn leven, de eerste dag van mijn leven.’
Angst
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on October 13, 2008
Ze voelde de metalen randen van het spreekgestoelte in haar handen drukken. De nerven van het hout bestuderend wachtte ze het gekuch af, wat zeker zou komen. De stilte drukte op haar oren. Ze miste het geschuif van stoelen, het geruis van handen die in tasjes zochten naar een pepermuntje, een fles water. Ze voelde hoe de airco haar natte gezicht langzaam afkoelde.
Millimeter voor millimeter, nerf voor nerf dwong ze haar blik verder omhoog. Het hout leek nog nieuw, pasgelakt, krasloos. Nog iets zwaarder leunde ze op haar handen. Elke twee streepjes representeerde een jaar wist ze. Donker voor zomer, licht voor lente. Winter was afwezig, alsof deze niet bestaan had, alsof die tijd niet verstreken was. Wat wist ze nog? Een schok ging door haar lichaam toen haar blik op de rand viel. Het zou een kwestie zijn van haar ogen omhoog richten, een simpele mechanische beweging. Het samentrekken van de spiercellen rond haar oogballen, een electrisch signaaltje was genoeg, maar voor haar verlamde brein was niets minder mogelijk.
Nog steeds ademloos voedde de zaal de stilte. Het was haast een beschuldiging aan haar adres. Gefixeerd op de donkerblauwe grens tussen veilig en gevaar slikte ze moeizaam. Ze voelde haar benen trillen, haar knieen knikken. Toch stond ze daar bewegingloos. Een pluk bruin haar ontsnapte uit de streng achter haar oren en gleed in haar blikveld als een verleiding, een uitdaging om verder te gaan. Verder te durven. Heb de moed! Kom dan!
Ze hield haar adem in en rechtte haar rug, nog steeds naar die rand starend. Ze wachtte op de kracht, die als een golf door haar lichaam zou trekken, die haar zou doen besluiten dat het nu tijd zou zijn. Ze wachtte en wachtte. De geluidsloosheid piepte nu in haar oren, zwol aan tot het geruis van de noordzee. Wat in haar beleving een uur leek te duren, nam in werkelijkheid nog geen moment in beslag wist ze, hoopte ze.
Plotseling werd de betovering die haar vasthield gebroken als glas waar een steen doorheen vloog. ‘Melissa, gaat het? Je ziet zo bleek…’ Haar ogen waren per ongeluk de verboden lijn gepasseerd en vol ongeloof staarde ze de zaal in. Morgen. Morgen pas…
Vliegen
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on September 26, 2008
Lopen, rennen, haasten, praten, vliegen, sterven. Mensen leken altijd haast te hebben, nooit even een moment niets te doen. Vanaf het punt waar ze zat, waren het net wriemelende insecten, alsof ze zo haar voet neer kon zetten en ze in een beweging verpletteren. Soms had ze wel zin om dat te doen, ze even dwingen tot een moment rust. Een eeuwig lang moment. Maar wat was een eeuwigheid als dat in principe gelijk was aan een seconde? Ze zuchtte en keek omhoog toen de wind door haar haren blies. De vogels in de lucht schenen ook die sereniteit te ervaren die zij voelde. In stilte zwevend op de wind, zich nergens iets van aantrekkend. Onlangs het feit dat de wind loeide, was het hier stil. Ze sloot haar ogen en stelde zich voor dat ze hier voor altijd zou blijven. Ze wilde niet terug, nog niet. Nooit niet. Weer viel haar blik op de insectenkolonie ver onder haar en plotseloing haatte ze die wezentjes. Ze haatte ze voor hun bestaan, omdat ze nu haar rust verstoorden, omdat ze nooit even zichzelf konden zijn. Ze stond op en spreidde haar armen. Om haar heen cirkelden de meeuwen en onder haar gaapte en kolkte de wereld. Een moment nog nam ze het witte blauw van de lucht in zich op en toen sloot ze haar ogen weer. Ik kan vliegen. Ik kan vliegen. Ik kan vliegen…
De vaagste nederlands opdracht ooit
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on September 18, 2008
Dit was een Nederlands opdracht in de derde klas. We kregen een nogal vreemd thema(leraar nederlands, jeuhan, stikt in schroef uit blikje tonijn) en moesten daar drie keer een verhaaltje op schrijven met een verschillend tema.
1:
Jeuhan, leraar Nederlands, zat net te bedenken dat hij honger had toen er een slordig uitziende leerling van het mannelijke geslacht zich uit zijn stoel ophees en luidkeels protesteerde. Zijn woorden waren als volgt: “Meneer, da kan u ons nie make hoor! Dat is echt tering feel! Alstublief wil u et uitstelle? We zulle heel goed oplette.” Jeuhan antwoordde met een minachtende glimlach die hij zo graag gebruikte in dit soort situaties en wees het voorstel lacherig doch resoluut van de hand. Toen de bel ging, een zwaar hard en doordringend soort zoemer, ging en een zucht door de klas en kwam deze traag, als een enorm groot en log beest in beweging. Jeuhan bleef de leerlingen stuk voor stuk observerend in de deurpost staan terwijl ze traag sjokkend het lokaal uitdruppelden. Jeuhan draaide het in een kleur roze geschilderde lokaal dat nog het meest op een combinatie tussen zalmroze en fel oranje met een resolute beweging op slot en begaf zich op weg naar de lerarenkamer die circa 10 meter verderop gesitueerd was, waar hij op de stoffige bank neerploffend zijn dagelijkse blikje tonijn opende. Zijn tonijn in een weerzinwekkend tempo naar binnen schrokkend bemerkte hij de schroef die zich in het blikje had bevonden niet zodat deze een opstopping in Jeuhans keel veroorzaakte en tevens een bloedstroom. En terwijl hij stikkend op de grond viel had hij nog net de tijd om te bedenken dat zijn klas nu alsnog uitstel zou krijgen. Ze krijgen ook altijd hun zin.
2:
Zouden ze het echt menen? Snappen ze het echt niet of zijn ze gewoon lui? Moeilijk te zeggen. Was dat de bel? Als de leerlinge het lokaal uitdrommen vraag ik me af of ze me echt haten. Dát ze me haten staat vast. Maar in welke mate? Willen ze me dood hebben? Of ben ik gewoon een irritante leraar voor ze? Of een tussenweg misschien? Waarom hebben ze eigenlijk zo’n lelijke kleur voor het lokaal gekozen? Had de ontwerper gewoon geen stijl, of was de schilder blind? Of misschien wou de opdrachtgever de gebruikers ervan pesten. Als ik de lerarenkamer binnenloop vraag ik me af of ze geen geld hebben voor een nieuwe bank, of dat het ze gewoon niks kan schelen. Als ik mijn blikje tonijn openmaak vraag ik me af waarom ze geen handigere verpakking verzinnen. Deze is namelijk niet te openen. Ook vraag ik me af waarom ik me dit allemaal afvraag. Als ik me verslik in een schroef die zich in het blikje tonijn bevond kom ik er juist achter dat mijn leven uit vragen opgebouwd is. Is dat goed? Is dat voldoende voor mij? Waarom? Hoe is het zo gekomen? Waarom heb ik dit nooit eerder beseft? Als ik de verstikkingsdood sterf besef ik dat mijn vragen nooit meer beantwoord zullen worden. Nu niet en nooit niet…
3:
Nederlands. Wat doe ik hier nu eigenlijk? Zit ik hier een beetje dodelijke blikken te vangen van een stelletje onwilligen. En natuurlijk gaat er straks weer eentje om uitstel vragen. Ze zijn zo onvoorspelbaar, ahem. “Meneer, het is zo moeilijk! We begrijpen het echt niet. Kunt u het niet een les uitstellen? Alstublieft?” Een maand bedoelt hij zeker. En moeilijk vinden ze het echt niet hoor. Wat valt er nu te begrijpen aan woordjes leren? Kunnen ze niet lezen ofzo? Nee, het is meer luiheid denk ik. Het hele weekend feesten en dan klagen dat ze zo veel te doen hadden. “Nee, ik heb het al veel te vaak uitgesteld. Voor de tijd die ik jullie heb gegeven, zou ik dubbele stof op kunnen geven. Nee, jullie maken het gewoon morgen. En ik accepteer geen briefjes!” Daar gaat de bel. O, wat hou ik toch van dat roesterige blikkerige geluid van die heerlijke keiharde zoemer. Soms verdenk ik de schoolleiding er wel eens van dat ze expres voor dit geluid gekozen hebben, zodat als je al vrolijk mocht zijn, je dat meteen weer kwijt was na de eerste bel. Snel maar beheerst pak ik mijn stapel net geordende paperassen in mijn o, zo modieuze zwart versleten notariskoffertje en kan net voorkomen dat de hele bende ter aarde stort. Als ik bij de deur sta te wachten tot iedereen vertrokken is merk ik dat een paar zich moeten beheersen om me niet tegen mijn schenen te trappen. O, wat mogen ze me toch graag. Snel draai ik het lokaal, dat in een afschuwelijke mengeling van roze en oranje geschilderd is op slot om weg te kunnen van die vreselijk lelijke kleur. Wat een gevoel voor stijl kleur moet degene gehad hebben die dit ontworpen heeft. Ongeveer evenveel als een pennenbakje dat heeft. Een slecht ontworpen pennenbakje dan wel, zo eentje die lelijk en onpraktisch tegelijk is. Als ik de enorme afstand naar de lerarenkamer overbrug, 10 meter, bedenk ik me dat ik zin in tonijn heb. Komt dat even goed uit! Ik baan me een weg door de overvolle lerarenkamer naar de koelkast om daar mijn blikje tonijn uit te halen. Ik settel me op de vreselijk schone bank en onderdruk een hoestbui die door de stofwolk die ervan opwaait wordt opgewekt. Wat zijn die blikje toch makkelijk te openen zeg. Het kostte me maar 10 minuten! Omdat de pauze al bijna voorbij is werk ik met haast mijn vis naar binnen totdat ik iets scherps in mijn keel voel blijven steken. Ik hoest in mijn hand om het er uit proberen te krijgen, maar al wat het resultaat is, is een hand die rood van het bloed is. Nouja, altijd nog beter dan de lokaalkleuren zeg ik maar. Ik voel dat ik langzaam in mijn eigen bloed stik en als alles zwart wordt weet ik dat dit het einde is.
Glimlach
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on
Zes. Met zijn drieën het getal van de duivel volgens de christelijke overlevering.
Zeer toepasselijk. Daar komt hij aanlopen in zijn afschuwelijke overhemd. De lelijkheid
straalt er vanaf. Dat niemand hem ooit verteld heeft dat hij er zo uitziet als… Ja, als
wat eigenlijk? Precies wat hij is denk ik, namelijk de afschuwelijkste leraar Nederlands
ooit. Oké, ik was fout. Dat overhemd past perfect bij hem. Mijn klasgenoten drommen het lokaal binnen en ik ga er snel achteraan voordat ik straks weer tussen twee van die sukkels moet zitten. “Zozo, 5G, is het niet?” Ik haat die schijnheilige opgewekte afschuwelijke rot stem zo erg! Die stem waarmee hij zoveel heeft aangericht… En allemaal met dezelfde misleidende schijnheilige opgewektheid. Hij probeert ons iets te leren over perspectief. Alsof we dat niet allemaal al weten… Als hij iets nieuws had verteld had dat waarschijnlijk toch niet geholpen… De ene helft van de klas haat hem, de andere vind hem zo lachwekkend en belachelijk dat ze hem niet serieus nemen. Het lijkt alleen niet tot die man door te dringen. Dan gaat er een mobiel af. Echt zo’n irritant top veertig riedeltje. Zo eentje wat dagenlang ongewenst in je hoofd blijft zitten… Mijn klasgenoten zijn aardig hoor, maar af en toe hebben ze zo’n bord voor hun kop. Zo moeilijk is het toch niet om je mobieltje uit te zetten als je op school aankomt? Natuurlijk neemt hij hem in. Ik moet hem eigenlijk ook wel gelijk geven. Hiermee zou het heel goed klaar kunnen zijn, maar nee hoor! Natuurlijk weer een preek erachter aan… Met een mierzoete stem begint hij: “Maar meisje toch!” Doe niet zo kleinerend, idioot! “dat getuigd toch van weinig respect?” Respect. om dat woord in zijn mond te horen. Hoe durft hij! Langzaam begint mijn bloed te koken. Zinnen, woorden, beelden
beginnen door mijn hoofd te flitsen. De respectloosheid! Een fout vier punten. Maar meisje toch! Misschien ben je gewoon dom. Nee ik mag jullie niet en ik heb jullie ook nooit gemogen. Vorig jaar deed ik aardig tegen jullie omdat jullie bruggertjes waren en die zijn zo zielig. Maar eigenlijk haat ik die nog het meest. Stelletje sletten! Hoe hij ons keer op keer op de knieën dwong, onze excuses eiste voor onze respectloosheid terwijl we niks hadden gedaan. Hoe respectloos hij ons altijd behandelde. Hoe hij ons verweet dat we niet met eigen initiatief kwamen, terwijl we dat wel degelijk deden. Hij wachtte met beslissingen alleen tot het laatste moment, zodat hij fijn zijn eigen belachelijke plannetje door kon douwen. Hoe hij een klasgenote als mentor doodleuk vertelde dat ze dom was. Klasgenootjes die hij voor sletten uitgescholden heeft. De kleinerende namen die hij voor mij en mijn vriendinnen gebruikt. Zijn vreselijke hand die kleinerend door mijn haar woelde, alsof ik een jonge hond was. Het SO wat hij ons voor de tweede les van het jaar opgaf en ons zonder uitleg liet maken. En dan durfde hij ook nog een fout vier punten te rekenen. Door alles heen zie ik zijn schijnheilige glimlach op zijn gezicht vastgeplakt zitten. Als in een horrorfilm zie ik alleen zijn mond bewegen. “respectloosheid” Hij is te ver gegaan! Mijn bloed heeft het
kookpunt nu bereikt en langzaam begin ik mijn wil te ballen. Als ik die tot hem richt, breekt die van hem als een twijgje onder mijn voeten. Tergend langzaam laat ik hem de hand met het mobieltje erin naar zijn mond brengen. En met datzelfde treiterende tempo laat ik hem zijn tanden erin zetten. Een geweldig gevoel van voldoening overspoelt me als ik de plasticsplinters in zijn tandvlees zie dringen.
Het lusthof der goden
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on
Venus stond even stil voordat ze de lift in liep. Het zachte licht van de lampen in de ontvangsthal scheen haar vriendelijk toe. Een ongemakkelijk gevoel bekroop haar, alsof ze iets vergeten was. Met een strikte beweging stak ze haar arm naar voren, zodat de stijve stof van haar mantelpakje naar achteren schoof en haar horloge zichtbaar werd. Ze was keurig op tijd… Een vinnig getik weerklonk door de ruimte toen ze door de zilverkleurige deuren liep. Haar vinger met de perfect gemanicuurde nagel zocht naar een knopje op het besturingspaneel en hield stil voor degene waarachter met kleine sierlijke letters Het lusthof der goden was gedrukt, met een klein paars druiventrosje ernaast afgebeeld. Zachtjes zoemend schoven de deuren dicht en met een klein schokje kwam de lift in beweging.
Toen ze de vergaderzaal in liep, knipten de lichten een voor een aan. Het eerste wat haar opviel aan de kamer was de groezelig uitziende man, die op een van de stoelen in de hoek ineengezakt zat te slapen. Ze zuchtte en besloot dat ze maar beter kon beginnen met een beetje opruimen, voordat de anderen kwamen, anders zou er vanavond helemaal niets meer van de vergadering komen. Met veel kabaal schoof ze de stoelen op hun plaats, expres geen rekening houdend met Apollo, die daar in de hoek zo overduidelijk snurkende geluiden maakte. Ze wist dat hij nu wakker moest zijn, maar dat hij, zoals gewoonlijk onder het werk uit probeerde te komen. “Je kunt nu wel ophouden met je toneelspel Apollo. Ik weet al lang dat je niet slaapt.” Zei ze zogenaamd achterloos, terwijl ze met een vochtige doek de tafel afnam en de lege bierblikjes in de prullenmand schoof. Apollo reageerde niet en gooide er nog een schepje bovenop door een luide snurk door de ruimte te sturen, alsof hij haar uitdaagde. “Wees eens niet zo kinderachtig en help me even. Ik ben je schoonmaakster niet!” Dit keer had reageerde Apollo wel. Hij stond kreunend op uit zijn stoel, zijn ogen nog half dicht. “Oké, oké, ik help wel even…” Traag begon hij met een bezem uit het materiaalhok de vloer te vegen, het ding lusteloos voor zich uit duwend. “Nou, nou, een beetje meer enthousiasme zou geen kwaad kunnen hoor…” Een glimlach verscheen op Venus’ gezicht. Plotseling draaide Apollo zijn hoofd naar haar toe en keek haar recht in de ogen. “Ik heb er gewoon geen vertrouwen meer in Venus, het is een doodlopend spoor. Het einde.” Hij zweeg even. “Sorry.” Venus stond perplex, zo kende ze Apollo niet. Juist toen ze op het punt stond hem moed in te spreken, klonk er een opgewekt ‘ding’ en de liftdeuren schoven open. Ze waren compleet.
Venus keek naar de zes mensen aan tafel, terwijl ze op de laatst overgebleven stoel ging zitten. Stuk voor stuk kende ze ze al jaren. Ze hadden in dezelfde jaarlaag gezeten op de middelbare school, en waren na hun studie afgerond te hebben, samen een bedrijf begonnen: Het lusthof der goden. “Venus, komt er nog eens wat van?!? Jij zou de voorzitter zijn deze keer!” Venus, opgeschrikt uit haar mijmering, keek verdwaasd op van haar papieren. “Ja… Okee.” Ze zweeg even. “We zijn vandaag bijeengekomen om te beraden over een laatste redmiddel. Als we niets doen, zijn we binnen een half jaar failliet. Iemand ideeën?” Hermes veerde op en begon met heldere stem te spreken. “We zijn niet bekend genoeg, we moeten reclame maken. We moeten laten weten waar we voor staan. Een ‘statement’ maken.” Apollo keek hem cynisch aan. “Hoe wil je een duidelijk beeld naar de buitenwereld uitzenden als we zelf niet eens weten waar we voor staan… Wat hebben we nu eigenlijk voor bedrijf? Jij, Hermes verkoopt, belegd en je bedriegt. Ja, dank maar niet dat we dat niet weten.” Hij liet zichzelf een beetje onderuit zakken. “Hera wil nog wel eens een reisje organiseren, Zeus runt een supermarktketen, al is keten een groot woord voor twee filialen, Dionyssos heeft, hoe kan het ook anders, een cafe, waar hij zijn eigen klanten wegjaagt door de grote versierder uit te hangen, Mars regelt onze rechten en administratie, van Venus weet eigenlijk niemand wat ze doet en ikzelf organiseer feesten.” Mars lachte schamper. “Jij? Feesten organiseren? Je bedoelt dat je anderen opdraagt een feest te organiseren, terwijl jij in je luie stoel zit…” Apollo keek hem vernietigend aan. “Wat ik wil zeggen, is dus dat we te gevarieerd zijn. Hoe kan de buitenwereld begrijpen wat wij voor een bedrijf zijn als we dat zelf nog niet eens weten…” Dionyssos verveelde zich zichtbaar en knipoogde plagerig naar Venus, die als reactie minachtend haar hoofd afwendde. Hera zond Venus een vuile blik toe, maar dat negeerde ze. Dyonissos was de grootste versierder die je je kon bedenken, maar de enige vrouw die uit zichzelf geïnteresseerd in hem was, daar keek hij niet naar om. Helaas gaf Hera de schuld aan Venus en met haar alle andere vrouwen die het twijfelachtige voorrecht genoten door Dionyssos leuk gevonden te worden. Zeus stond op van de tafel en liep naar de achterkamer.
Een diepe stilte daalde over het gezelschap, het enige hoorbare geluid was zijn gerommel in zijn zoektocht naar iets eetbaars. Venus dacht na over de tijd die ze samen doorgebracht hadden, hoe hecht ze in het begin waren geweest. Ze waren een beetje uit elkaar gegroeid, iedereen worstelend met zijn eigen problemen. Zeus kwam terug uit de voorraadkamer met een grote zak chips in zijn armen. “Ik denk dat het vooral belangrijk is dat we samenwerken. We zijn te verdeeld, allemaal opgesloten in ons eigen wereldje…” Venus knikte instemmend, al was ze het er niet helemaal mee eens. Ze was er niet bij met haar gedachten vandaag. Het leek ook allemaal zo nutteloos, zo vaag, zo doelloos. Ze wist dat ze er niet uit zouden komen. Over een half uurtje zou er niets van de vergadering over zijn. Mars zou alleen nog maar schreeuwen, Apollo zou weer slapen, Zeus zou onaanspreekbaar zijn vanwege een vreetbui, Dionyssos zou proberen haar te versieren en Hera zou nukkig zwijgen. Hermes zou waarschijnlijk aan het telefoneren zijn over zijn aandelen. Waarom probeerde ze ook nog elke keer om een vergadering te organiseren? Het was altijd hetzelfde liedje…
Venus staarde naar haar nagels. Het was precies zo gelopen als ze voorspeld had. Wat moest ze doen? Het zomaar opgeven? Was dit het einde van die mooie jaren samen? Ze voelde zich een beetje duizelig, en nog steeds had ze het gevoel dat ze iets vergeten was. Plotseling verscheen het gezicht van Hera voor haar. Ze keek voor haar doen ongewoon bezorgd. “Venus, gaat het wel goed met je?” “Ja, met mij is alles perfect in orde.” Zei Venus, terwijl Hera’s gezicht op leek te lossen in de lucht. Het werd donkerder in de kamer. Was het al zo laat? Ergens was er iets niet goed, maar het kwam niet in haar hoofd op dat er geen ramen in de ruimte aanwezig waren. Ergens in de verte hoorde ze geschreeuw. “Godverdomme! Ze is haar medicijnen vergeten! Bel een ambulance!” Ze was niet gelovig. Als er een god zou bestaan, zou ze vast en zeker in de hel komen, al wist ze niet of ongelovigheid ook een zonde was. Maar ach, ze zou er zeker niet eenzaam zijn. Vroeger was ze een tijdje christelijk geweest. Tot haar zeventiende had ze elke avond gebeden, maar ze beet nog liever haar tong eraf dan dat ze dat zou toegeven. Ze hoorde weer geluiden, maar ze leken nog veel verder weg dan voorheen. Er was iets dat leek op een sirene, maar ze kon het niet goed horen. Ze ging achterover liggen in het warme zand en genietend van de zonsondergang viel ze in slaap.
Venus schrok wakker. Het was allemaal een droom geweest… Ze stond op en schudde met haar hoofd om het nare gevoel van de nachtmerrie te verdrijven. Ergens in de straat ging er een autoalarm af. Ze rekte zich uit, maar halverwege die beweging stokte ze. De deur werd opengegooid en twee vrouwen in verpleegsterskostuum kwamen binnen gestormd. “Wat moet dat hier?!? Dit is mijn huis!” Schreeuwde Venus verontwaardigd. Geen van de Zusters reageerde. Er kwamen nu nog meer mensen haar slaapkamer binnen rennen en met zijn allen gingen ze om het bed staan. Het alarm loeide nog steeds onvermoeid door, maar het klonk niet meer als een autoalarm. Er begon haar iets te dagen. Ze keek om zich heen. Dit was haar kamer niet… Wat deed ze hier?!? Het ziekenhuispersoneel stapte opzij, uit eerbied voor wat er zojuist gebeurd was. “Tijdstip van overlijden dertien over vier in de morgen, vier mei 2008.” De dokter tekende met een onverschillig gezicht de overlijdensakte en liep de kamer weer uit. Nu pas kon ze zien wie er in het bed lag. Direct wenste ze dat ze nooit gekeken had. Nu kwam Apollo de kamer binnen. Hij boog zich over het lichaam en barstte in tranen uit. “Venus, o Venus…”
Krabbel van een inspiratieloze
Posted in: Korte verhalen by nihlaeth on September 16, 2008
Dit kon niet zijn… Hij keek op en zijn ogen toonden hem dat waar hij angst voor had, waarheid was. ‘Lydia…’ Meer woorden kreeg hij niet uit zijn droge keel geperst. Hij kromp onder haar koude blik, terwijl zijn gedachten wanhopig elke mogelijke uitvlucht zochten. Dit was niet waar, dit mocht niet waar zijn! Zweetdruppels liepen als kleine avonturiers uit zijn porien, wat moest hij doen? Hij staarde naar zijn handen, de rimpels en groeven volgend. Hij werd oud, elke keer dat hij keek leek de huid van zijn handen slapper en doorzichtiger. Kleine bruine vlekjes begonnen territorium te veroveren, als bacteriekolonies. Toen zijn blik weer naar boven kroop, kon hij het niet nalaten even te genieten van haar rondingen, zich het zachte gevoel van haar huid herinnerend. Haar blik was onveranderd gebleven, ze had geen millimeter bewogen. Zo stond ze daar, de woordeloze beschuldiging aan zijn adres. Hij kon het niet verdragen dat ze niets zei, ze moest schelden op hem! Want schuldig was hij, dat kon niemand ontkennen. Hij wenste vanuit het diepste van zijn ziel dat ze hem zou slaan, genadeloos hard in zijn gezicht. Maar zijn wensen werden niet verhoord, dat voorrecht had hij verspeeld. Als ze alleen maar iets zei!!! Een plotselinge golf van woede kwam in hem op, hij voelde de withete kwaadheid opwellen vanuit zijn tenen, zich als een ziekte verspreidend over zijn lichaam. Waarom was ze kwaad op hem?!?! Hij zou kwaad op haar moeten zijn!!! Dit was niet zijn schuld! Hij stond op met de intentie tegen haar te schreeuwen, maar de woorden stokte in zijn keel. Was hij dit? Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht en zijn rimpels vulden zich met tranen. ‘Lydia…’ Haar woedde was nu haast tastbaar. Haar haat en jaloezie voor zijn leven. Toen hij de moed bijeen had om haar weer aan te kijken, zag hij alleen een grote vlek. Hij veegde verwoed met zijn groezelige vest het water uit zijn ogen, maar hoe hij ook zijn best deed, Lydia kwam niet terug. De mistroostige huiskamer was weer leeg… ‘Lydia!!!!’ Paniekerig rende hij de kamer rond. ‘Lydia!!!’ Ze was weg… Dit was zijn straf. Wanhopig liet hij zich op de grond vallen, zijn gebalde vuisten tegen zijn hoofd slaand. Waarom was hij niet gestorven toen het zijn tijd was?!? Waarom Lydia?!? Hij sloot zijn ogen en wenste innig om nu te sterven. Deze wrede wereld moest zijn leven nemen, het leven dat hij onterecht ten koste van zijn lieve Lidia geleden had, Hij wilde nu sterven. NU!!!!
De stilte van de lege kamer daalde over hem, het grijsgroene tapijt onder zijn hoofd was nat van verdriet. ‘Waarom Lydia? Waarom heb je me verlaten? Waarom heb je me verlaten?!?!?!’
Een eenzame zonnestraal viel door het raam op zijn ogen.
‘Waarom heb je me verlaten…’