Meer weten over hoe u deze blog kan steunen?

Teylers museum

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 18, 2009

Inleiding
Ooit was het Teylers museum een bruisende plaats. Elke dag werden er lezingen gehouden, er werden lessen gegeven en er werden publieke beeldanalyses gemaakt van de kunstwerken die binnen kwamen. Het was een centrum van wetenschap. Nu is het niet veel meer dan een saai museum, waar alles netjes geordend met latijns naamkaartje achter glas geborgen is, maar als je goed kijkt kan je in de weerspiegeling van het glas nog de oude glorie herkennen.

Het Teylers museum is vernoemd naar Pieter Teyler van de Hulst, een man met, conform het beeld van de verlichting, grote interesse voor de kunst en wetenschap. Tijdens zijn leven legde hij een grote verzameling aan van onder andere schilderijen, fossielen, natuurkundige instrumenten, edelstenen en mineralen. In zijn testament liet hij vastleggen dat zijn collectie moets dienen tot de bevorderd werd, in 1778 de Teylers stichting in het leven geroepen. Oorspronkelijk was dit geen museum, de schilderijen werden gebruikt in kunstbeschouwingen, de mineralen werden gebruikt in openbare lessen, de natuurkundige opstellingen in experimenten en lezingen en de boeken voor studie, net als de fossielen.

In 1784 werd de Teylers collectie openbaar gesteld, en daarmee is het het oudste museum van Nederland. Later is alle wetenschappelijke actviteit verdwenen, maar het museum is blijven bestaan. Op een zaal na, waar de expositie van tijd tot tijd wisselt, is het museum vrijwel onveranderd gebleven. Ook al is het in het museum nogal stil en is er niet heel veel te doen, de aanblik van de prachtige architectuur en de antieke vitrines maken het een bezoekje al waard.

Indeling Fossielen in Teylers museum
De fossielen in het Teylers museum zijn geordend op leefperiode, vindplaats en diersoort.

Vragen
1) Je ziet hier de plesiosaurus
a) Wat is langer, de staart of de nek?
-de nek is het langste.
b) Wat zal de functie zijn van de staart?
-de functies zullen voortbeweging en sturing geweest zijn
c) Wat dal de functie zijn van de nek?
-het makkelijk bereiken van een prooi(ze vingen hun prooi door onverwachte snelle bewegingen van de nek).
d) Wat betekent het woord saurus?
-het woord saurus komt uit het latijn en betekent hagedis.

2) De plesiosaurus was een waterdier. Waaraan kan je zien dat zijn voorouders op het land geleefd hebben?
-de flippers bestaan nog uit verschillende ‘vingers’.

3) Je ziet hier de Ichtyosauriers, de vishagedissen. Kan je het kenmerk(vraag 2) ook terugvinden bij hen?
-ja, ook de flippers van dit fossiel bestaan uit verschillende ‘vingers’.

4) Vergelijk de pootstructuren van de Plesiosaurus en de Ichtyosaurus met die van de grottenbeer. Welke staat dichterbij de landdieren?
-de Plesiosaurus heeft grotere kootjes dan de Ichtyosaurus en staat dus dichter bij de holenbeer.

5) De Moeritherium is verwant aan de eerste olifanten, de Palaeomastodont. Welke overeenkomsten zie je?
-ze hebben beiden een paar grote slachtanden.

6) De kop van de Moeritherium lijkt echter ook veel op die van de grottenbeer, maar de kiezen zijn duidelijk verschillend. Waaruit bestaan de verschillen?
-de Moeritherium heeft grotere keizen dan de grottenbeer.

7) Als een paleontoloog een mammoetkies vindt, kan hij zien of deze uit de onderkaak of uit de bovenkaak komt. Je kan dit ook zien bij de Indische olifant. Waaraan kan je dit zien?
-de onderste kiezen hebben een veel grotere lengte dan de bovenste kiezen.

8) De oudste periode van het Pleistoceen heet Tiglien.
a) Naar welke plaats in nederland is deze periode genoemd?
-naar de plaats Tegelen
b) Waarom heeft men dit gedaan?
-dit is gedaan omdat er op die plek veel fossielen uit dat tijdperk gevonden zijn.

9) Welke dieren zijn daar in het Tiglien gevonden die je er tegenwoordig niet meer aantreft?
Fossielen van dieren die toen leefden, maar nu uitgestorven zijn zijn onder andere de neushoorn, de hyena, de aap en de zebra.

10) Hier vind je fossielen die afkomstig zijn uit het carboon. Waarom noemt men deze periode het carboon?
-Deze periode is zo genoemd omdat er in die tijd heel veel koolstof in de grond en in de lucht zat, en carboon(engels:carbon) betekent letterlijk koolstof.

11) Stromatolieten zijn de eerste aanwijzingen voor het leven op aarde en worden dus ook fossielen genoemd. Hoe zijn zij ontstaan?
-deze zijn ontstaan door het afsterven van blauwwieralgen. De dode organismen hebben zich opgestapelt, en werden later samengeperst door de druk van de omliggende aarde en het water.

12) Bekijk het afgietsel van de Archaeopteryx en de plaat die erboven hangt.
a) Wat zijn de drie reptielkenmerken van de Archaeopteryx?
-de drie kenmerken zijn de tanden, de lange staart en de klauwen.
b) Wat is het vogelkenmerk?
-de overeenkomst tussen dit fossiel en hedendaagse vogels zijn de veren.

13) Bij de eencellige nummulieten kan je onder het vergrootglas de kamertjes zien die dit diertje maakt. Verklaar hoe zo’n grote structuur toch het skelet kan zijn van een eencellig organisme.
-dit organisme vormt elke keer een kamertje om zich heen, en gaat daar dan uit om weer een nieuw kamertje te vormen. Zo ontstaat dit skelet.

14) De sutuurlijnen van Ammonieten aan de buitenkant van de schelp zijn belangrijk voor de indeling van deze organismen.
a) Met welk doel worden deze gevormd?
-deze dienen voor stevigheid.
b) Ammonieten kunnen heel groot worden. Sommige hadden een diameter van meer dan een meter. Waardoor konden zij toch goed zwemmen?
-deze ammonieten hadden luchtkamers en waterkamers. In de luchtkamers kon dit organisme gas laten stromen(vanuit het bloed) en het ook weer in het bloed opnemen, waardoor het zich verticaal door het water kon verplaatsen (het duikbootproncipe is daar van afgekeken). Voor horziontale verplaatsing hadden deze organismen een zogenaamde ’straalpijp’ waardoor ze water konden laten stromen.
c) Ammonieten zijn uitgestorven, toch leeft er nog een afstammeling van deze diergroep, de Nautulis. Waarom is dit een belangrijke soort voor de paleontologie?
-de Nautulus is voor de paleontologie van belang omdat dit organisme ons informatie verschaft over de leefwijze en bouw van de reeds uitgestorven ammonieten.

15) Hier zie je fossiele slakken uit het Paleozoicum, het Mesozoicum en het Kenozoicum. Welke twee belangrijke verschillen vallen je op en hoe zou je die verklaren?
-wat opvalt is het verschil in kleur en complexiteit. Dit zal zeer waarschijnlijk door evolutie veroorzaakt zijn (verandering van millieu wat deze mutaties tot voordeel maakte).

16) Waarom wordt de degenkrab ook wel een levend fossiel genoemd?
-de degenkrab wordt ook wel zo genoemd omdat dit organisme nog niet utigestorven is en door de tijd heen nauwelijks veranderd is.

17) De reuzensalamander -Andrias scheuzeri- is het beroemdste fossiel van het Teylers Museum.
a) Waarom is dit het beroemdste fossiel?
-dit is het beroemdste fossiel omdat het vroeger werd aangezien voor het skelet van een mens.
b) Verklaar de oudste wetenschappelijke naam van dit fossiel.
-de oudste wetenschappelijke naam -homo diluvii testis et theoscopos- de mens getuige van de zondvloed. Deze naam was gekozen omdat men indertijd geloofde dat dit het skelet was van een mens, omgekomen in de zondvloed.
c) Verklaar de moderne wetenschappelijke naam van dit fossiel.
-de wetenschappelijke naam, Andrias scheuchzeri scheuchzeri, is gekozen omdat dit fossiel gevonden is door Andrias Scheuchzeri.

18) Vliegende reptielen -Pterodactyli- hadden een vlieghuid tussen de vingers en waren in staat tot glijvluchten, maar ook echt vliegen of fladderen, zoals een vleermuis. In hun bek zaten scherpe tanden. Wat zal hun voedsel zijn geweest?
-afgaande op de grootte van deze fossielen neem ik aan dat dit organisme zich met insecten gevoed zal hebben. De grotere soorten zullen zich met andere Pterodactyli gevoed hebben.

19) Kwastvinnige vissen worden gezien als de overgang van vissen naar amfibien. Beschrijf de overgang van kwastvinnigen naar amfibien, let hierbij op het geraamte en de bouw van deze dieren.
-de kwastvinnige hebben al vier vinnen. De graten worden steeds dikker, en kootjes vormen zich. Langzaam ontstaat de onderverdeling in vingers en de vinnen vormen zich tot poten.

20) Hoe zijn de afdrukken van het handdier ontstaan?
-afdrukken in klei en zandsteen zijn versteend geraakt, waardoor ze bewaard zijn gebleven.

21) Tot welke groepen behoren de organismen uit het Paleozoicum die in vitrine 23 en 24 liggen?
-in deze vitrines liggen reptielen en gevleugelde reptielen.

22) Fossielen in barnsteen zijn altijd insecten of spinnen, maar ook zaden, blaadjes of takjes.
a) Wat is barnsteen?
-Versteende hars, ook wel amber.
b) Waarom betreffen de insluitsels altijd kleine diertjes?
-de insuitsels betreffen altijd kleine diertjes omdat de druppels hars die van de boom af komen behoorlijk klein zijn. Soms raakt er een insect of klein diertje gevangen in zo’n druppel, en als die druppel dan onder de grond raakt, versteent deze.

23) Bekijk de diverse kaakfragmenten van de Mosasaurus.
a) Wat valt je op als je naar de tanden in de kaak kijkt?
-wat opvalt is dat er meerdere rijen tanden onder elkaar zitten, dit organisme had het vermogen tanden te wisselen.
b) Welke huidige diergroep bezit dit vermogen nog?
-de haaien bezitten dit vermogen ook.
c) Waarom denkt men dat de Mosasaurus dichterbij de slangen en hagedissen staat dan bij de dinosauriers?
-omdat het verhemelte bestaat uit twee botten en omdat er twee rijen tanden in de kaak zitten, net zoals bij boa constrictors.

24) Bekijk de schedel van de gorilla en van de Neanderthaler. Welke verschillen zie je tussen de schedels en kaken?
-de herseninhoud van de Neanderthaler is groter. Ook is de kaak minder groot en meer naar achteren geplaatst. De wenkbrouwen zijn minder prominent aanwezig(ingezonken in de schedel).

Tweehoornig monster van Fayûm
De Arsinoitherium zitteli Beadnell, ook wel tweehoornig monster van Fayûm leefde in het laat-Eoceen en Oligoceen(38-27 miljoen jaar geleden) en is gevonden in Fayûm(Egypte).
Al doet het skelet misschien aan een dinosaurier denken, dit monster was een zoogdier. Het behoort tot een groep van primitieve neushoornachtigen, maar in tegenstelling tot de neushoorns, maken de hoorns van dit dier onderdeel uit van het skelet.
Fossiele resten van dit organisme zijn gevonden in onder andere Egypte, Lybie, Oman en Angola.
De naam Arsinotherium heeft dit dier gekregen omdat de meeste fossielen gevonden zijn in Fayûm, waar het paleis lag van Arsinoe, een egyptische farao.
Dit enorme dier (1.8 meter hoog, 3.5 meter lang) woog ongeveer 2500 kilo.

arsinotherium

arsinotherium

Wat het meeste opvalt aan dit dier zijn de enorme hoorns op zijn kop, die hol zijn van binnen. Vermoedelijk kon de Arsinotherium hier een geluid mee produceren, wat een belangrijke rol speelde in het paringsproces. Vanzelfsprekend dienden deze horens ook ter verdediging. Omdat er sporen van bloedvaten gevonden zijn, vermoeden wetenschappers dat de horens bedekt waren met huid.

Dit dier was een herbivoor en was vermoedelijk de hele dag bezig met het verzamelen van vruchten en bladeren. Ze leefden in regenwouden en moerassen.
De bouw en de stand van de poten wijst erop dat dit organisme veel tijd in het water doorbracht, want deze zijn beter geschikt voor waden of zwemmen in ondiep water dan voor lopen over land.

arsinotherium reconstructie

arsinotherium reconstructie

De volwassen Arsinotherium had bijna geen natuurlijke vijanden (vooral door zijn grootte en enorme hoorns), de jongen van dit dier echter wel. Het is waarschijnlijk dat er op hen gejaagd werd door de creodonta.

creodonta

creodonta

De Arsinoitherium zitteli Beadnell behoort tot het rijk van de animalia (dieren), tot dat stam van de chordata (chordadieren), tot de klasse van de Mammalia (zoogdieren), tot de superorde van de Afrotheria, tot de orde van de Embrithopoda en tot de famillie van de Arsinoitheriidae.
Volgens de site van het Teylers museum heet dit organisme ook wel het ”tweekoppig monster van fayûm”, maar ik denk dat dat een foutje is.

Artikel

http://www.refdag.nl/artikel/1372689/Evolutie+met+de+mond+vol+tanden.html

Deze tekst bleek niet helemaal te zijn wat ik verwacht had, meer een soort verkooptekst, maar toch zal ik hem beschouwen.

In dit artikel wordt geprobeerd de evolutietheorie naar beneden te halen met verschillende argumenten.
Ten eerste wordt het bestaan van mutaties erkend, maar wel wordt gezegd dat mutaties altijd tot informatieverlies leiden, nooit tot een verbetering. Als tegenvoorbeeld wil ik hier de berkenspanners aandragen. Deze vlindersoort was oorspronkelijk wit, maar er bestonden enkele gemuteerde zwarte exemplaren. Dezen waren in het nadeel, omdat zij makkelijker te vinden waren voor roofdieren. Met de inzet van de industriele revolutie echter, bleef er zo veel roetaanslag op de witte berken achter, dat de zwarte vlinders in het voordeel waren. Dit was dus een vooruitgang, een kenmerk wat ervoor gezorgd heeft dat deze soort kon overleven en geen informatieverlies. Ook wordt gezegd dat nieuwe informatie niet spontaan kan ontstaan, maar niets is minder waar. Stel je voor, je neemt 200 willekeurige letters. Deze laat je door een computer in alle mogelijke volgorden zetten, en of je wilt of niet, ergens zal zich een zin vormen die ergens op slaat. Nieuwe informatie, gevormd uit pure informatieloosheid.

Ten tweede wordt beweerd dat tussenvormen uitsterven omdat ze niet kunnen overleven. Natuurlijk kennen we wel degelijk enkele tussenvormen (het oogdiertje bijvoorbeeld, als tussenvorm tussen plant en dier). Maar eigenlijk is het ook heel logisch dat we weinig tussenvormen kennen. Die ‘tussenvormorganismen’ waren minder aangepast aan hun omgeving dan de geevolueerde soort daarvan. Ze zijn dus relatief snel uitgestorven.

Dan wordt de evolutie weerlegd met het argument dat ingewikkelde symbioses, zoals je in koraalriffen ziet, niet door mutaties kunnen ontstaan. De tussenvormen zouden niet alleen kunnen overleven. Dit argument snap ik niet helemaal, natuurlijk kunnen de tussenvormen niet alleen overleven, ik zie niet in wat dat tegen de evolutie zegt. Ook de organismen die wij kennen, het koraal, kan niet solitair overleven. Het samen evolueren van organismen is wel degelijk mogelijk, dat noemen we co-evolutie. De omringende organismen maken namelijk deel uit van het millieu van het organisme, het is dus gewoon goed aangepast aan zijn omgeving. De oorspronkelijke organismen leefden naast elkaar en zijn toen langzaam afhankelijk van elkaar geworden.

Dan wordt beweerd dat dolfijnen af zouden stammen van koeien, en dat dit zou bewijzen dat ze geschapen zijn. Ik zie dolfijnen echter meer als een weerlegging van de theorie dat er geen tussenvormen zouden zijn. De dolfijn is juist een prachtig voorbeeld van een tussenvorm tussen land en zeedier. Hun lichamen zouden zo perfect zijn voor leven in het water, dat dit niet geevolueerd zou kunnen zijn. Zonder blaasgat zouden ze niet kunnen overleven. Ik denk echter dat de tussenvormen tussen vissen en dolfijnen, zowel een beginsel van blaasgat en longen hadden, als kieuwen.

Ook wordt beweerd dat conform evolutietheorie alle vissen dezelfde manier van voortbewegen zouden moeten hebben, omdat alleen de beste manier van voortbewegen zou overblijven. Wat hier echter over het hoofd gezien wordt, is dat er misschien niet een beste manier is. Er zijn verschillende manieren die geschikt zijn en dus naast en uit elkaar konden ontstaan.

Letterlijk wordt er beweerd: “Instincten bij dieren ontkrachten eveneens de evolutiegedachte. Als de angst van een gnoe voor een leeuw moest evolueren, was het dier uitgestorven voordat het instinct ontwikkeld kon zijn.” Ten eerste heb ik nooit iemand horen beweren dat instincten geevolueerd zijn. Instincten schijnen een onderdeel van de hersenen te zijn, maar in hoeverre dat in de genen vastgelegd is, is tot nog toe niet bekend. De werking van de hersenen is zo ingewikkeld dat we geen flauw idee hebben in hoeverre karakter en instincten vastgelegd zijn en hoe het denkproces werkt. Een beetje vreemd dus, om een theorie te weerleggen door een argument tegen te spreken wat niet gebruikt is.

Vervolgens wordt een beroep gedaan op een aantal beroemde geleerden, die beweren dat er sprake zou kunnen zijn van een ontwerp in de natuur. Nu vraag ik me af wat voor waarde we daaraan moeten hechten, aangezien er een heleboel wetenschappers waren die overtuigd waren dat de aarde plat was. Ook wordt een citaat van Maxwell gebruikt, die iets zegt over gelijkvormigheid van moleculen, wat naar mijns inszien helemaal niets met evolutie te maken heeft.

Ook wordt er gezegd dat er geen sluitend bewijs is voor macro-evolutie. Op zich is dit logisch, omdat dit een lange periode vereist, langer dan dat wij leven, maar bewijsloos is deze theorie niet. We hebben immers fossielen die deze theorie onderbouwen. Dan wordt er een beroep gedaan op ‘wetenschappelijke gegevens’: “De wetenschappelijke gegevens spreken deze vorm zelfs tegen.” Maar die wetenschappelijke gegevens worden niet genoemd. Ik ben wel benieuwd naar de bron.

Dan wordt in een poging alle evolutionisten zwart te maken Hitler uit zijn graf gehaald, maar als we op die toer gaan, mogen we het Christendom afzweren op grond van de inquisitie alleen al.

Daarna wordt er iets vaags gezegd over een ‘bewezen erfelijheidsleer’ van Mendel, die lange tijd ongeaccepteerd was, maar hoe dit de evolutieleer tegenspreekt wordt niet duidelijk.

Vervolgens wordt er ingegaan op een van de belangrijkste onbeantwoorde vragen van de geschiedenis. “Hoe is, uit levenloze chemicalien, het eerste leven ontstaan?” Beweerd wordt dat het eerste leven geschapen is, omdat er geen fossielen gevonden zijn van deze eerste levensvormen. Eerlijk gezegd lijkt me dat heel logisch, omdat fossielen over het algemeen overblijfselen van skeletten zijn, en de eerste organismen zeer waarschijnlijk geen skelet hadden. Mochten deze fossielen wel bestaan, dan zitten ze zo diep in de aarde, dat we daar moeilijk bij kunnen komen. Ook zullen ze door de grote druk van de aardlagen waarschijnlijk vernietigd zijn.

Als een van de laatste punten wordt gezegd dat de aarde niet zo oud is als wij denken. Dit beweren ze omdat fossielen soms in een erg actieve houding gevonden zijn. Zij zouden overvallen zijn door de zondvloed. Logischer is echter, dat ze het slachtoffer waren van vulkanische activiteit.

Dan wordt gezegd dat wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat wel degelijk alle diersoorten in de ark pasten en dat er ook nog ruimte was voor voedsel. Ik me af welk wetenschappelijk onderzoek en hoe serieus we dit onderzoek moeten nemen, weer mist een bron.

Als laatste wordt gezegd dat de lengte van de aarde steeds langer geschat werd en dat er steeds wildere theorieen ontstonden omtrent evolutie, maar dat deze alleen ontstonden door ideeen van atheisten en Deisten. Darwin echter, de grondlegger van de evolutieleer, was een overtuigd Christen. Ook vind ik het niet vreemd dat mensen die niet Christelijk zijn, met een theorie komen buiten de Bijbel om. Deze mensen hebben hierover nagedacht, onderzoek gedaan in plaats van klakkeloos aannemen wat er in een eeuwenoud boekje staat.

Met andere woorden, de argumentatie in dit artikel was verrassend slecht. Ik denk niet dat dit serieus genomen moet worden.

Beeldanalyse de Sterrennacht | van Gogh

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 15, 2009

de Sterrennacht | Vincent van Gogh

de Sterrennacht | Vincent van Gogh

Titel kunstwerk: de Sterrennacht
Kunstenaar: Vincent van Gogh
Jaar: 1889
Afmetingen: 73×92cm
Materiaal: Olieverf op doek
Waar te zien: Museum of Modern Art (New York City)

Inhoud

Onderwerp
Dit is een weergave van een sterrennacht met daaronder een slapende stad. Vaak worden de volgende woorden van Vincent van Gogh ermee geassocieerd: “Waarom, vraag ik me af, zouden de stralende stippen in de lucht niet net zo makkelijk te bereiken zijn als de zwarte stippen op de kaart van Frankrijk? Net zoals we de trein naar Tarascon of Rouen nemen, gebruiken we de dood om naar de sterren te reizen.”
Er gaat een melangolische, iewat slaperige sfeer uit van het schilderij.

Voorstelling

Op de donkerblauwe lucht als achtergrond zijn elf sterren afgebeeld als lichtbollen van verschillende grootte in geel- en wittinten. Rechts bovenin is de maan afgebeeld in een cirkel van licht. Links over de hoogte van het hele schilderij is op de voorgrond een donkere vorm afgebeeld wat nog het meeste lijkt op een boomtop en een rotspunt. Van links komt ook een iets lichtere windvlaag die tot over het centrum van het schilderij komt. Deze is weergegeven met grijstinten en cirkelende patronen. Op 1/3 van het doek (van onderen) is een lichtgevende grillige horizon van blauwe bergen afgebeeld met daaronder een stad. Voor de stad is vooral blauw en groen begruikt, maar ook wel wat geel voor de verlichte ramen.

Boodschap

Aan de ene kant ligt de stad er heel slaperig bij, loom. De sterrenhemel schittert ons uitnodigend toe en de windvlaag doet denken aan een zwoele zomernacht. Als je kijkt naar de zin die hieraan gekoppelt wordt, dan zou de betekenis wel kunnen zijn dat ook al is de stad fysiek dichterbij dan de sterren, toch zijn de sterren helderder. En makkelijker te bereiken door te sterven. Dit is echter geen negatieve boodschap. Er gaat rust uit van het schilderij, ook berusting. Uitgaande van het feit dat dit geschilderd is door vincent 13 maanden voor zijn zelfmoord, denk ik dat hij al nadacht over sterven. Hij was klaar met het leven en heeft dat uit willen drukken in dit schilderij. Hij verheerlijkte de dood.

Abstrahering
Dit kunstwerk is figuratief, alle vormen en figuren zijn duidelijk te herkennen, maar het is geen realistische weergave van de werkelijkheid. Dit schilderij is opgebouwd uit de voor van Gogh typische grove toetsen, wat sommige vormen moeilijk te herkennen maakt, maar het heeft ook zo z’n charme. Het is een manier om iets abstracts als een luchtstroom te vertalen naar iets figuratiefs en daarbij een bijzondere wijze van licht afbeelden.

Stroming
Dit schilderij behoort tot het postimpressionisme. Het postimpressionisme is een reactie op het impressionisme en wil vluchtig en vormloos schilderen wat je terug ziet in de grove toetsen. Het doel van het impressionisme is om verder te gaan dan het weergeven van iets uit de werkelijkheid. Zoals we ook in de dichtkunst zien wordt de realiteit meer en meer losgelaten om plaats te maken voor emotie. Sfeer is hier belangrijker dan vorm. Wat ook kenmerkend is voor het postimpressionisme is de grote dynamiek die ontstaat door toetstricting, waar ook dit schilderij een goed voorbeeld van is.

Vorm

Licht
In dit schilderij is zowel natuurlijk licht als kunstlicht te zien. Alle licht is tegenlicht. Het natuurlijk licht komt van de sterren en de maan, en de opkomende zon achter de horizon, het kunstmatige licht komt van de gebouwen in de stad. Dit is wel allemaal getempert licht, het is niet fel genoeg om de duisternis op te heffen. Aangezien de definitie van schaduw de afwezigheid van licht is, is vrijwel het gehele schilderij in schaduw gehuld (op de lichtbronnen na). Er is dus zowel veel slagschaduw te zien (schaduw van de bergen op de stad) als eigenschaduw (overal).

Kleur
De overheersende kleuren in dit schilderij zijn blauw (donker blauw) en geel (vaak met wit). Er is een heel sterk licht-donker contrast aanwezig, vooral tussen het geel van de sterren en het donkere blauw van de hemel. Beneden bij de stad is ook wat groen gebruikt, en hier en daar wat bruin en de boomtop op de voorgrond is bijna helemaal zwart met wat bruine vegen. Kleur-kleur contrasten zijn natuurlijk overal te zien en er zitten ook wel wat koud-warm contrasten in, net als zuiver-onzuiver contrasten. De koud-warm contrasten zitten hem vooral in sommige sterren die met een heel koud wit zijn geschilderd tegen het warme blauw van de achtergrond. Het zuiver-onzuiver contrast zit vrij subtiel over het doek verspreid, aangezien zuivere toetsen en met zwart en wit aangelengde toetsen naast elkaar gebuikt zijn.
Dit is een polychrome kleurfamilie.

Ruimte

De opvallendste manier van ruimte-suggestie is verkleining. De boomtop op de voorgrond is enrom vergeleken met de bebouwtjes in de stad. Ook is er gebruik gemaakt van overlapping, wat te zien is bij de boomtop, de gebouwen in de stad en de bergen.
Ook is er aan de randen veel afgesneden, onder andere de boomtop, de stad en de bergen. Verder zijn de huizen plastisch weergegeven en is er gebruik gemaakt van plans. Het eerste plan is de boomtop (met een soort van struikje er naast), het tweede plan is de stad, het derde de bergen en het vierde de sterrenhemel. De windvlaag zweeft net achter het eerste plan.
Opvallend is dat de voorgrond zwat is terwijl het  naar de bergen toe meer en meer blauw wordt. Dit is kleurperspectief, maar je zou het ook atmosferisch perspectief kunnen noemen (niet mijn keuze).
Ook is er gebruik gemaakt van hoger plaatsen. Elk huis staat weer hoger en daarboven de bergen.

Vorm
De geometrische vormen in dit kunstwerk zijn de gebouwen in de stad, dit is een opeenhoping van vele kleine vormen die overlappen. Er is wel vormherhaling te zien.
De verdere vormen zijn allemaal organisch. Buiten de stad om is het vormbeeld een stuk rustiger. De vormen zijn ook een stuk groter en er is geen herhaling.
De vormen zijn allemaal vrij duidelijk en over het algemeen niet grillig. De bergrand aan de horizon echter wel.

Samenhang
In dit kunstwerk overheerst de verticale richting van de boomtop, die versterkt wordt door de uitstekende kerktoren. Voor de rest zijn alle richtingen horizontaal (de horizon, de windvlaag, etc.).
Er zijn weinig kleuren gebruikt, wat samen met de grote vormen een rustige indruk geeft.
Toch zou ik dit schilderij dynamisch willen noemen. De compositie is asymetrisch, de boomtop en de windvlaag van links zorgen dat de aandacht naar links gaat.
De kolkende zee van verf die van Gogh heeft gecreerd met zijn toetsen maken dit een schilderij die de titel dynamisch waardig is.

Functie

Levensbeschouwelijk
Dit schilderij heeft geen religieuze functie, wel een levens beschouwelijke. Dit schilderij laat ons nadenken over de dood, het eeuwige. Vooral als je de woorden van van Gogh eraan koppelt.

Estetisch
Onlangs de postimpressionistische insteek van het loslaten van de werkelijkheid zit er schoonheid en realisme in die dit tot een prachtig kunstwerk maken.

Educatief
Ik denk dat dit schilderij vooral een zelfreflecterende functie voor van Gogh had. Misschien dat hij hiermee anderen inzicht wou geven, dat kan ik niet beoordelen. Misschien een vorm van therapie?

Functie
Dit schilderij is niet zozeer voor amusement of decoratie gemaakt, ik denk dat van Gogh dit schilderij voor zichzelf heeft gemaakt, om zijn gevoelens te uiten. Zoals ik al eerder noemde, voor zelfexpressie. Het heeft uiteindelijk wel een decoratieve functie gekregen en het wonderlijke toetsenspel maakt het een lust voor het oog.

Mening

Mijn eerste indruk van dit schilderij was niet een heel bijzondere. De toetsen gaven het een niet zeer bijzonder uiterlijk omdat er details misten. Maar toen ik beter ging kijken veranderde mijn mening. Als je lang genoeg naar dit schilderij kijkt pakt de sfeer je, je gaat nadenken over de boodschap, het gevoel er achter. Als je dichtbij genoeg kunt komen zie je plotseling wat voor een prachtig kleurenspel de toetsen vormen, en wat een bijzonder wervelend patroon. Ook de compositie mag er wezen, de boomtop trekt vrij subtiel je aandacht naar de krullende windvlaag, die je verder leidt naar de lichtbollen van de sterren, door naar de maan.
Ik vind dit schilderij, onlangs mijn afkeer voor te grove toetsen, werkelijk prachtig.

Santa Prassede (Rome)

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 13, 2009

De bassiliek “Santa Prassede” is vernoemd naar Sint Prassede (ook wel bekend als St. Praxedes), een Romeinse die ten tijde van het heerschappij van Marcus Antonius Christenen bescherming, onderdak en voedsel aanbood, nadat ze door St. Petrus was bekeerd. Ook moedigde ze hen aan in geloof en begroef ze de lichamen van hen die slachtoffer waren geworden van de vervolging.

De bassiliek staat vlak bij de “Santa Maria Maggiore” en is verschillende keren herbouwd. Men vermoedt dat de Santa Prassede voor het eerst gebouwd is door paus Pius I rond 150 A.D., maar hier zijn geen harde bewijzen voor.
Ook de fundamenten van de 5de eeuwse kerk zijn nog niet ontdekt. Deze kerk stond bekend als “Titulus Praxedis” en werd voor het eerst in een tekst genoemd in 489, maar deze kerk zou gebouwd kunnen zijn in de tijd van paus St. Siricius (384-399).
De kerk zoals hij nu is, is gebouwd in het begin van de 9de eeuw, ten tijde van paus Paschal I (817-824). De kerk is herbouwd omdat deze in erbarmelijke staat verkeerde. Paus Paschal was bezig om de vergeten kerken van Sinten opnieuw onder de aandacht te brengen, maar heeft ook deze basilliek gebruikt als begraafplaats voor zijn moeder Theodora. Helaas is bij een latere restauratie een groot gedeelte van de vroeg-christelijke aspecten verdwenen.

Het is aan te raden om een paar euro mee te nemen als je deze kerk gaat bezoeken, het licht werkt namelijk met een muntautomaat. Deze kerk wordt vanwege haar schoonheid ook wel “Orto del Paradiso” genoemd, ofwel paradijstuin. Twee zuilen en een architraaf van een romeins tempeltje sieren de (zuidelijke) ingang. De oostelijke ingang, aan de “Via Di Santa Prassede” ziet er veel minder interessant uit, neem dus de zuidelijke, mits toegankelijk, aan de “Via di Sant Martino ai Monti”. De binnenkant is versierd met vele mozaieken. Door de gehele kerk heen zijn sporen te vinden van de oprichter, paus Paschsal I. Niet alleen zijn er verschillende teksten in het (kerk)latijn te vinden die verklaren dat Paschal hoopte een plaatsje in de hemel voor zichzelf te reserveren door deze kerk te bouwen en Sinten een begraafplaats te geven, ook is hij afgebeeld op een van de mozaieken met een schaalmodel van de kerk in zijn handen.

Doordat de steentjes van de mozaieken niet helemaal recht liggen, lijken ze te schitteren wat voor een prachtig effect zorgt samen met de warme kleurenweelde. De grootse architectuur in combinatie met dit kleurenspel zorgt voor een overweldigende indruk.
Om het hele verhaal af te maken, heeft deze kerk ook een relikwie. De plek waar deze begraven ligt, is aangegeven in het midden van de vloer voor de zuidelijke ingang. Hier zou de spons liggen waarmee Sint Prassede het bloed van de 23 martelaren die voor haar ogen vermoord werden opgezogen had.

Bronnen
-sacred-destinations.com
-casa-in-italia.com
-romanchurches.wikia.com
-scholieren.com/werkstukken/9267
-wikipedia.org

De pijlinktvis (Loligo Vulgaris)

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 11, 2009

Pijlinktvis (Loligo Vulgaris)

Pijlinktvis (Loligo Vulgaris)

De pijlinktvis is een bijzonder organisme. Niet alleen heeft hij, in tegenstelling tot de octopussen, tien tentakels, ook heeft dit dier het vermogen te communiceren via kleur.

Bouw
De pijlinktvis kan ongeveer 60 cm groot worden en kan vele kleuren hebben, maar is meestal roze met wit en paarse vlekken. De reuzepijlinktvis echter, kan naar verluid wel 20 meter groot worden.
De pijlinktvis is radiaal symmetrisch en zijn 10 tentakels bevinden zich rond zijn mond. Twee van deze tentakels dienen om voedsel te vangen en zijn wat langer dan de andere acht, die dienen om het voedsel de mond in te bewegen. Het achterlijf is pijlvormig omdat er twee zijwaarts gerichte vinnen aan zitten.
Ook heeft de pijlinktvis het vermogen om inkt uit te scheiden, om vijanden af te schrikken.
De pijlinktvis heeft een inwendig skelet, wat bestaat uit een chitineschild wat in het achterlijf ingebed is.
Verder heeft de pijlinktvis twee kieuwen en drie harten. Een systemisch hart en twee kieuwharten.
Als er weinig licht is, lichten deze dieren op.

Indeling
De pijlinktvis behoort tot her rijk der dieren en tot de stam van de Mollusca(weekdieren). Verder wordt hij ingedeeld in de klasse van de Cephalopoda(koppotigen), in de onderklasse Coleoidea, in de superorde van de Decapodiformes en de orde van Teuthidia.
Leefomgeving&soorten
Deze dieren leven vanzelfsprekend in de zee.
In de noordzee komen voornamelijk 3 soorten voor, namelijk de gewone pijlinktvis(Loligo vulgaris), de noordse pijlinktvis(Loligo forbesii) en de kleine pijlinktvis(Alloteuthis subulata).

Voortbeweging

Een pijlinktvis heeft een zogenaamde sifon(denk aan een spuitfles), waar hij met grote snelheid water door kan pompen, wat hem in staat stelt met grote snelheden te bewegen.

Voedingswijze
De volwassen dieren eten voor het grootste deel haring en sprot, de jonge dieren voeden zich meestal met zöoplankton. De volwassen dieren jagen door met grote snelheid door een school vissen te zwemmen en dan met een snelle beweging hun prooi te grijpen.

Voortplanting
Elk jaar in mei/juni komen de inktvissen in grote getalen naar de kust om hun eieren te leggen. De eieren, die in grote trossen samengekleefd zitten duren er enkele weken over om uit te komen.

Communicatie
De pijl inktvis heeft het bijzondere vermogen om te communiceren met soortgenoten door middel van kleur.
De pijlinktvis in de maatschappij Meestal wordt de pijlinktvis afgeschilderd als gevaarlijk, maar dat is hij zeker niet.

De pijlinktvis wordt wereldwijd beschouwd als lekkernij en staat ook wel bekend onder de Italiaanse naar camalami.

Agorafobie

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 10, 2009

Agoraphobia, ook wel agorafobie komt van het latijnse agora(=markt) en het griekse phobos(=angst). In de volksmond wordt agorafobie pleinvrees genoemd, wat een vertekend beeld geeft van de fobie, doch is het een redelijke weergave van de letterlijke betekenis van het woord agorafobie. De fobie zelf is echter veelomvattender. Agorafobie is geen angst voor pleinen, noch voor markten. Agorafobie wordt vaak omschreven als ‘de angst voor angst’. Een angst die opduikt wanneer een persoon weg van huis is, in een grote open ruimte, of op een drukke plaats. Uit angst voor die angst, kunnen personen met agorafobie deze plekken gaan vermijden, wat meestal tot gevolg heeft dat deze personen steeds banger worden en zich helemaal afsluiten van de buitenwereld. Een lichtere vorm echter heeft alleen als gevolg dat personen zich onrustig gaan voelen.
Onterecht wordt agorafobie vaak beschreven als de tegenhangen van claustrofobie(=angst voor kleine ruimten), omdat personen met agorafobie vaak bang zijn voor grote, open ruimten. Wat over het hoofd wordt gezien is dat iemand met agorafobie net zo goed bang kan zijn in kleine ruimten, zoals de bus en de trein. De angst is vaak meer gerelateerd aan het ‘niet in een vertrouwde omgeving zijn’.
Agorafobie wordt alleen beschouwd als zelfstandige stoornis indien paniek-aanvallen geen symptoom is. Om agorafobie als zelfstandige stoornis in te delen, gebruikt het DSM-IV de volgende criteria:
A. De aanwezigheid van agorafobie in relatie met de angst om paniekachtige symptomen te ontwikkelen (bv. duizeligheid of diarree).
B. Er zijn geen criteria voor de paniekstoornis aanwezig.
C. De stoornis is geen direct gevolg van de inname van een substantie (bv. drugs, geneesmiddelen) of een somatische aandoening.
D. In het geval van een somatische aandoening is de angst zoals beschreven in criterium A duidelijk ernstiger dan normaal bij de somatische aandoening.
Indien er wel sprake is van paniekaanvallen, wordt agorafobie geduid als paniekstoornis in combinatie met agorafobie. Dan gelden de volgende criteria:
A. Angst voor plaatsen of situaties waaruit ontsnappen moeilijk of gênant is of waarin geen hulp beschikbaar is als er een paniekaanval of paniekachtige symptomen optreden. Tot de agorafobische angsten behoren kenmerkende situaties, waaronder alleen uit huis zijn, zich in een mensenmassa bevinden, in een wachtrij staan, op een brug staan of reizen in een bus, trein of auto. N.B: als het vermijdende gedrag zich beperkt tot één of slechts enkele situaties, moet de diagnose van een specifieke fobie worden overwogen. Als het vermijdende gedrag zich beperkt tot sociale situaties, kan er sprake zijn van een sociale fobie.
B. De persoon vermijdt de situaties (reizen wordt bijvoorbeeld beperkt), er is sprake van duidelijke stress of angst voor een paniekaanval of paniekachtige symptomen, of de persoon wil een begeleider hebben.
C. De angst of het fobisch gedrag is niet te verklaren als uiting van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld de sociale fobie (bv. vermijding van sociale contacten uit angst in verlegenheid gebracht te worden), specifieke fobie (bv. vermijding van specifieke situaties zoals een lift), obsessief-compulsieve stoornis (bv. vermijding van vuil door iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bv. vermijding van prikkels die gekoppeld zijn aan een sterke stressfactor) of verlatingsangst (bv. vermijding om huis of familie te verlaten).
Agorafobie komt twee keer zo vaak voor bij vrouwen dan bij mannen. Of dit te wijten is aan een fundamenteel verschil in denken tussen mannen en vrouwen, of dat vrouwen simpelweg makkelijker hulp zoeken en mannen makkelijker naar alcohol grijpen (en dus vaker de diagnose alcoholist krijgen), is niet duidelijk. Agrofobie komt bijna niet voor zonder de diagnose paniekstoornis en ongeveer een derde van de mensen die een paniekstoornis hebben, ontwikkelen agorafobie. In de united states heeft 5% van de bevolking de diagnose agorafobie. De meeste mensen met agorafobie, zijn tussen de 18 en 40 jaar oud.
Er is geen duidelijke oorzaak bekend van agorafobie, maar aangenomen wordt dat een stressvolle omgeving, lichamelijke belasting, erfelijke factoren en de verstoring van familierelaties. Ook kunnen natuurlijk trouma’s agorafobie veroorzaken.
Om agorafobie te genezen is over het algemeen keuze uit drie verschillende behandelingen. De eerste is het gebruik van angstverminderende medicijnen, de tweede is cognitieve therapie (hierbij wordt geprobeerd de denkwijze van de patient te veranderen) en de laatste is desensitisatie, een vorm nvan gedragstherapie waarbij de patient minder gevoelig wordt voor hijn/haar omgeving. In veel gevallen echter, lost het probleem zichzelf op. Agorafobie is bijna altijd te genezen.
Bronnen
- http://nl.wikipedia.org/wiki/Agorafobie
- http://en.wikipedia.org/wiki/Agoraphobia
- http://www.gezondvgz.nl/%7Bec48160f-a33c-4960-b654-41981f4b3f1e%7D/d_003?tp=%7B96888f0c-5546-4b81-9e51-253a087bf3c1%7D
- http://www.agorafobie.be/index.php

Bladpigmenten

Posted in: artikelen by nihlaeth on April 03, 2009

De techniek staat niet stil, steeds kleiner en kleiner kunnen we apparaten maken, steeds ingewikkeldere taken kunnen ze uitvoeren. Zo ingewikkeld zelfs dat we begonnen zijn deze apparaten te gebruiken in het menselijk lichaam. Het begon bij medische toepassingen, pacemakers, stents. Maar daarbij houdt het niet op. Tegenwoordig wordt er al geexperimenteerd met ingebouwde mp3 spelers, mobieltjes en computers, en erger nog, chips in het brein. In Amerika worden er op dit moment experimenten gedaan met chips die je sterker maken (spiren stimuleren op het moment dat het brein het opgeeft). Een ander interessante techniek op dit gebied is fotosynthese. Als mensen door middel van fotosynthese glucose konden assimileren, zouden we een stuk minder hoeven eten. Oorspronkelijk is dit bedoeld om het onderhouden van een leger makkelijker te maken, maar met een beetje fantasie kan het natuurlijk veel beter gebruikt worden, denk maar eens aan de derde wereld en alle honger die er heerst. Genoeg zonlicht voor iedereen zou ik zeggen.

Maar daar zijn we nog lang niet. Voordat we het fotosyntheseproces mechanisch na kunnen bootsen, of zelfs genetisch inbouwen, moeten we het eerst volledig begrijpen. Een hele boel weten we al, namelijk waar de processen zich afspelen, welke eiwitten dienen als electronenacceptoren, welke pigmenten de energie opvangen en op electronen overbrengen, welke weg de electronen binnen de chloroplasen afleggen en hoe atp wordt gevormd in de kelvincyclus. Maar verder dan dat niveau zijn we niet gekomen. Hoe werken die eiwitten? Hoe werkt bijvoorbeeld de synthese van atp door concentratieverschil? We hebben laatst ontdekt dat het eiwit f1 atp-ase wat hierbij betrokken is fungeert als een soort minimotortje, maar hoe dat motortje werkt, we hebben geen idee. Nabouwen wordt dus een beetje moeilijk, ten eerste omdat we de werking van deze eiwitten niet volledig begrijpen, ten tweede omdat op deze schaal andere wetten gelden, namelijk die van de quantummechanica. Waarom dan niet gebruik maken van de uitvinding van de natuur? Voordat we daadwerkelijk zo ver zijn dat we dit kunnen realiseren zijn we nog zeker wel 20 jaar verder, mar fantaseren kan geen kwaad.

Een interessant aspect aan de fotosynthese is dat het alleen met bepaalde lichtfrequenties werkt. Dit heeft te maken met de pigmenten in het chloroplastmembraan. In planten komen over het algemeen 4 pigmenten voor die met zichtbaar licht werken. Ook hebben ze pigmenten die met ultra violet en infra rood werken, maar wij focussen even puur op het zichtbare licht. Om zichtbaar te maken welke pigmenten dat zijn, hebben we bladpigmenten uit andijvie gehaald door het met zand en aceton in een mortier fijn te malen. Dit papje hebben we gefiltert en gemengd met petroleumether. Hierna hebben we er water bij gedaan, waardoor een tweelagensysteem ontstond en we de bladpigmenten makkelijk met een pipet of capillairtje uit de reageerbuis konden halen. Een kleine hoeveelheid hebben we gebruikt om met behulp van chromatografie te scheiden, de rest hebben we in een cuvet gedaan om met de fotospectrometer door te meten.

De chromatografie is niet heel goed gelukt, de pigmenten zijn niet goed opgekropen en ook niet 100% gescheiden. Ik denk dat dat met een andere loopvloeistof verholpen zou kunnen worden (of misschien 2D chromatografie?).

Reslutaten rf waarden:

Pigment1 Pigment2 Pigment3 Pigment4 Pigment 5 Pigment 6 Pigment 7
Papier 0.012 0.053 0.088 0.188
Papier - 0.046 0.073 0.1067
Papier 0.033 0.13 0.18 0.28
Papier - - - 0.18
Papier - - - 0.16
Papier 0.055 0.028 0.086 -
Gemm. papier 0.033 0.064 0.11 0.18
Dunne laag 0.25 0.4 0.53 0.59 0.67 0.76 0.95
Dunne laag 0.13 0.18 0.25 0.43 0.49 0.54
Dunne laag 0.43 0.63 0.72
Gemm. Dunne laag 0.19 0.29 0.39 0.48 0.60 0.67 0.95

Helaas zijn deze waarden zo verspreid dat vergelijking met binaswaarden geen zin heeft. De metingen zullen preciezer uitgevoerd moeten worden.

Binas lijst bladpigmenten:

pigment Rf-waarde Absorptiespectrum toppen (nm)
B-caroteen 0,98 360, 400, 575, 770
A-caroteen 0,78 Niet bekend
lutheine 0,69 Niet bekend
violaxanthol 0,55 Niet bekend
Chlorofyl A 0,38 405, 430, 560, 610, 660
Chlorofyl B 0,21 440, 455, 510, 590, 645

Met de fotospectrometer zijn we een stuk verder gekomen. We hebben om de 10 nm een meting gedaan en de volgende grafiek met absorptiewaarden kwam daaruit:

Zie resultaten

Als je nu naar dezelfde binas tabel kijkt, zie je dat hier ook weinig informatie uit gehaald kan worden, daarvoor zouden we een kleiner gebie moeten nemen en in plaats van om de 10 nm om de 1 nm moeten meten. Een interessant gebied om te onderzoeken is dus duidelijk 460-540 nm. In diet gebied zitten grote toppen die zowel van chlorofyl a als chrlorofyl b als van bacteriofyl-d kunnen zijn, maar zekerheid hebben we pas als we het gebied tussen de 600 en achthonderd nanometer beter gaan bekijken, omdat de toppen daar wat verder uit elkaar liggen.

Critical note:

Hoe spannend en opwindend dit mag klinken, ik denk dat we echt voorzichtig moeten zijn met dit soort grootse plannen. Niet alleen zouden we iets heel fundamenteels aan het mensenras veranderen, ook lopen we het risico om de bestaande ecosystemen flink te verstoren.

We zouden groen worden (tenzij we andere pigmenten gebuirken, maar ik vraag me af of er een combinatie aan bladpigmenten bestaat die huidskleur veroorzaakt). We zouden het longsysteem moeten aanpassen, want in plaats van CO2 af te geven, zouden we het op moeten nemen en de zuurstofopname zou ook minder hoeven te zijn. Dit soort fundamentele veranderingen liggen nu simpelweg buiten ons bereik. Ook zou dit een hele hoop dierenlevens kosten (proefdieren) en waarschijnlijk ook mensenlevens. En als alles dan gelukt is krijg je weer een ander probleem: wie wel en wie niet? Er ontstaat een nieuw mensenras, zal iedereen aangepast worden? Of alleen een elite? Zof juist alleen een onderklasse?

Het millieuprobleem is misschien nog een stuk belangrijker. Als wij plotseling CO2 op gingen nemen in plaats van afgeven, zou de kyoto norm snel gehaald zijn, maar nog wel meer dan dat. Het (al behoorlijk verstoorde) evenwicht tussen zuurstofproducerende planetn en CO2producerende dieren zou volledig uit ballans raken.

Dus ookal kunnen we het misschien in de toekomst, ik vraag me af of het wel verstandig is om het toe te passen. We zijn geevolueerd tot wat we zijn door natuurlijke selectie, waarschijnlijk is het niet voor

niets dat wij als dieren geen chloroplasten hebben.

Bronnen:

Binas tabel 71 & 72

Logisch redeneren

Posted in: artikelen by nihlaeth on March 11, 2009

Logisch redeneren
Logica is misschien wel het meest onlogische wat er is. Tenminste, dat lijkt vaak zo. Wat wij in het dagelijks leven als logisch ervaren, is dat meestal absoluut niet. Dat komt onder andere omdat wij als mensen indrukken, gevoelens en onbelangrijke factoren een grote rol laten spelen in het denkproces.
Om te kijken hoe logisch ik denk, heb ik de wason-selectietest gedaan, een test die met simpele als-dan redeneringen werkt. Je kon in de hele test eigenlijk maar twee fouten maken, namelijk een ongeldige omkering en een confirmation fout. De ongeldige omkering houdt eigenlijk in dat je een als-dan redenering in een dan-als redenering veranderd. Bijvoorbeeld, alle poezen zijn dieren=> alle dieren zijn poezen. De confirmation fout is iets ingewikkelder. Hier gaat het om het feit dat je een hypothese, of bewering twee kanten op moet testen, en veel mensen vergeten dat.
Daarnaast werdt er onderscheid gemaakt tussen een ‘praktijk’ en ‘theorie’ kant. De praktijk bestond uit twee puzzels over een voorbeeld uit het dagelijks leven, de theorie was een vrij abstracte puzzel over kaarten.
Opvallend was dat ik bij alledrie de puzzels dezelfde fout heb gemaakt, namelijk de zogenaamde ‘confirmation’ fout. Tussen theorie en praktijk was bij mij geen verschil te zien.

Methode
De twee onderstaande puzzels heb ik aan elf mensen voorgelegd. Alle zijn gymnasium leerlingen van divers geslacht uit de vijfde klas, maar de profielen verschillen. Hierin heb ik onderscheid gemaakt tussen ‘alfa’ en ‘beta’. Ook heb ik genoteerd of de proefpersonen het vak filosofie in hun pakket hadden, aangezien het onderwerp logica daar behandeld is.

Puzzel1-theorie:
Gegeven: Op elke kaart staat op de ene zijde een letter, en op de andere zijde een cijfer.
Hypothese: Als er een A op de kaart staat, staat er op de andere zijde een priemgetal.
Welk(e) kaart(en) moet(en) omgedraaid worden om deze hypothese te testen?
Keuze uit: 3, A, B, 6
Juiste antwoorden: A&6

Puzzel2-praktijk:
Een natuurkundige doet onderzoek naar atomen. Hij stelt de hypothese dat atomen die zwaarder zijn dan 50u, altijd meer dan 20 electronen bevatten. Welk(e) van de volgende atomen moet hij onderzoeken om deze hypothese te testen?
Keuze uit: 60u, 26 electronen, 30u, 15 electronen
Juiste antwoorden: 60u en 15 electronen

Resultaten

resultaten

Wat mij ten eerste opvalt is dat er maar een persoon was die beide tests goed gemaakt heeft, namelijk Evelijn. Zij mag als uitzondering beschouwd worden, ze is namelijk hoogbegaafd.
De eerste test is buiten Evelijn door niemand correct beantwoord, de tweede test echter, de ‘praktijk’ test, is door 4 mensen correct gemaakt.
In totaal zijn er 17 confirmation fouten gemaakt en 14 omkeringsfouten. De meeste zijn gemaakt bij de eerste, wat meer abstracte test.

Verder zijn de foutloze tests niet geheel gelijk verdeeld over mannelijk en vrouwelijk, vooral door de resultaten van evelijn, maar uit zo weinig goed gemaakte tests kan geen conclusie getrokken worden.

Tussen de twee profielen is wel een duidelijk verschil te zien. Er zijn maar twee mensen met een ‘alfa’ profiel getest, maar deze hebben de tests zo overtuigend foutief ingevuld dat ik wel degelijk geloof dat er een verschil is. Dit had ik eigenlijk al verwacht, aangezien beta veel meer om begrip gaat, alfa doet eerder een beroep op het vermogen dingen te onthouden.

De keuze van het vak filosofie maakt echter geen duidelijk verschil, wat mij doet vermoeden dat er maar heel oppervlakkig is ingegaan op dit onderwerp.

Conclusie

Het is wel duidelijk dat de meeste mensen die aan dit onderzoek meegedaan hebben een beter inzicht in een voorbeeld uit het dagelijks leven hadden, dan in een meer abstract voorbeeld. Ik denk dat dit in het algemeen voor mensen geldt, een paar uitzonderingen daargelaten. Verder zijn er meer ‘confirmation’ fouten gemaakt, dan omgeldige omkeringen. Ook hierbij vermoed ik dat dat op een grotere groep mensen te betrekken is, maar het is niet mogelijk een sluitende conclusie te trekken omdat het onderzoek niet uitgebreid genoeg was. Ten eerste was de groep proefpersonen veel te klein en te gespecialiseerd, ten tweede was de test niet uitgebreid genoeg om werkelijk iets te kunnen zeggen over het vermogen tot logisch redeneren.

HIV een apenziekte?

Posted in: artikelen by nihlaeth on March 10, 2009

De mens geteisterd door een apenziekte?

Waar komt het HIV-virus vandaan? Dat is een vraag waar ik onderzoek naar gedaan heb. Een gerichte gok zou zijn; van de apen. De gok zou gericht zijn omdat apen in de evolutie relatief dicht bij ons staan, een virus wat kan overleven in apen, zou dus makkelijker kunnen overleven in mensen dan in vogels, omdat het inwendige van een aap sterk lijkt op dat van de mens. Dit ga ik onderzoeken door het genetische materiaal van de virussen van apen en mensen met elkaar te vergelijken. Het HIV virus evolueert zeer snel, en aan de mate van overeenkomst tussen twee sequenties kan dus bepaald worden of virussen verwant zijn en zo ja, hoe lang geleden ze ongeveer afgesplitst zijn.

Hypothese
Ik verwacht dat het HIV-virus bij de aap vandaan komt, omdat de aap relatief nauw verwant is aan de mens en het voor een virus dus niet moet zijn moeilijk om zich aan te passen aan het menselijk milieu.

Materiaal en methode
Voor dit onderzoek maak ik gebruik van het programma Biology Workbench, van het programma TreeView en van een bestand met HIV-sequenties(te vinden onder de bijlage genaamd apen.mens.txt.txt). Natuurlijk is er een computer nodig om dit onderzoek uit te voeren.

Eerst voeren we de eiwit sequenties in in Biology Workbench, om er hierna met behulp van ClustaW een alignment van te maken. Deze alignment halen we door ClustaDIST en de gecodeerde stamboom plakken we in TreeView en we maken er een stamboom van, geroot door “syke’s monkey”. Nu kan je aan de lengtes van de lijnen aflezen welke HIV-sequenties meer en minder verschillen, en zo afleiden of het HIV virus van de aap komt, en zo ja, van welke aap.

Resultaten
De sequentietabel is te vinden in de bijlage genaamd sequentie.txt
De stamboom is te vinden in het bestand genaamd stamboomweek4.txt. Deze kan geopend worden in TreeView.

Conclusie
Het valt mij op dat Human5, Human Rod en Human Ali niet veel verschillen met de Pig-tailed Macaque’s. Ook liggen de Chimpansees vrij dicht bij Human 1, 2, 3, 4, Lay en Eli. Hieruit kan ik concluderen dat het HIV-virus inderdaad bij de aap vandaan komt, en wel bij de Chimpansee en de Pig-tailed Macaque vandaan. Mijn hypothese klopt dus.

Discussie
Dit resultaat is zeer discutabel, ten eerste werken we hier met vrij weinig sequenties, om echt zekerheid te krijgen zijn er minstens 50 sequenties per soort nodig en verschillende sequenties per individu. Daarbij ziet zo’n stamboom er erg mooi uit, maar eigenlijk zegt het vrij weinig over afstamming. Vanaf hoeveel procent overeenkomst mag je zeggen dat een HIV-virus van een mens bij een aap vandaan komt? In de stamboom lijken ze erg dicht bij elkaar te liggen, maar dat kan dus heel bedrieglijk zijn. Wat interessant zou zijn is misschien om meerdere apenrassen te onderzoeken, en deze apen ook te selecteren op leefgebied, het land waar ze wonen. Deze sequenties zouden dan vergeleken moeten worden met mensen uit die buurt, ik verwacht namelijk dat die sequenties een stuk meer overeenkomsten zullen vertonen. Wat ook interessant kan zijn, is om te onderzoeken bij welk apenras het HIV-virus ontstaan is, en uit welk virus(dat zou dan waarschijnlijk een virus zijn wat bij dat apenras voorkomt). Misschien blijkt er ook wel een andere drager van het HIV-virus te zijn dan de aap, die het later overgedragen heeft aan de aap.

Bijlagen
sequentie
apenmens
stamboomweek4

Scanning tunneling Microscope(STM)

Posted in: artikelen by nihlaeth on February 04, 2009

Twee weken geleden is er een cursus gestart aan de universiteit van leiden, voor goed lerende middelbare scholieren over nanotechnologie. Aangezien dit voor het grootste deel over quantum mechanica gaat, dacht ik dat het leuk was als ik iets hiervan deelde.

Een van de dingen die mij het meeste verbaasde was dat onlangs het feit dat we over het algemeen weinig begrijpen van de quantum mechanica, er wel toepassingen voor hebben gevonden. Een hiervan is de raster tunnel microscoop (STM=Scanning tunneling microscope). Dit is een microscoop die gebruik maakt van een quantum mechanisch effect genaamd tunneling.

Electronen worden aangetrokken door atoomkernen. Als een electron in een metaal zit, zijn er veel atoomkernen in de buurt en aangezien de buitenste electronen een beetje los zitten, golven die vrolijk door het metaal heen. Maar om door een vacuum naar bijvoorbeeld een andere positieve lading te springen, is een enorme hoeveelheid energie nodig volgens de klassieke natuurkunde. Hoe groter het vacuum, hoe meer energie nodig is.
De grap is, dat electronen die die energie niet hebben, toch wel eens overspringen. Dit heet tunneling. Een electron kan je weergeven als een golf van waarschijnlijkheid, de waarschijnlijkheid dat je een electron op een bepaalde plaats zal aantreffen. Binnen een metaal is dat een mooie sinusoide, maar in een vacuum neemt de kans dat je het electron er aantreft exponentieel af. Dus hier geldt: hoe groter het vacuum, hoe kleiner de kans dat er electronen over springen.

De STM werkt niet, zoals optische microscopen, met licht, maar tast het oppervlak van een materiaal af met een microscopisch kleine naald. Deze punt van deze naald bevat maar een atoom, waarmee met zeer kleine afstanden over het oppervlak wordt bewogen. Zowel op de naald als op het te scannen materiaal staat een zeer kleine spanning, die het tunnelen mogelijk maakt. Het te scannen materiaal moet dus een metaal of halfgeleider zijn, anders werkt het trucje niet. Door het tunnelen gaat er een zeer kleine stroom lopen tussen naald en preparaat. Als de afstand tussen preparaat en naald een heel klein beetje veranderd, zal de stroom sterk afwijken en zal de computer de hoogte van de naald aanpassen totdat de oude stroom weer bereikt is. Zo wordt een reliefkaart van het preparaat gevormd. Dit proces verloopt zo precies dat de verschillende atomen zichtbaar gemaakt kunnen worden. Je krijgt dan zo’n beeld:

De kleuren zijn niet waarheidsgetrouw, aan elke hoogte is een kleur toegekend.

Dit kan tegenwoordig zo snel dat je zelfs filmpjes kunt maken van bijvoorbeeld indium atomen die over een koperoppervlak bewegen. Ook kunnen we met dit principe materialen atoom voor atoom opbouwen.

Hoe de microscoop verder werkt, dus hoe er met zulke kleine afstanden en zo precies bewogen kan worden(en ook zo snel) zal ik even kort uitleggen. Er wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde piezomotor. Piezo is een keramiek dat wanneer er een spanning op komt te staan, ombuigt. Zowel in het mechaniek dat de naald beweegt als in het mechaniek dat het preparaat naar de naald toe haalt zijn piezo elementen gebruikt.

Ik hoop dat het duidelijk was :-)